21-05-10

De Afrikaanse klok (Ben Schokkaert)

Neen, er is geen phone service in het hotel. Ik kan wel aan de receptie een kaart van duizend shilling kopen. Als ik de kaart in de gleuf van het bakje aan de muur naast de ingang schuif, dan kan ik iets zeggen, zegt het make-upmeisje. “Help the muzungu”, beveelt ze iets of iemand in de ruimte achter me. Ik kijk om, de portier grijnslacht en wenkt.

Wat ben ik in mijn thuisland rotverwend met zeven telefoontoestellen altijd onmiddellijk bij de hand. En wat ben ik het make-upmeisje dankbaar. Ik moet de kaart insert and remove. Dat lees ik nadat ik de language-toets heb ontdekt en bepoteld, waardoor het Afrikaans op het display plots verstaanbaar Engels wordt. Meteen begrijp ik ook wat de vrouwenstem in mijn oor al een poosje heerlijk Afrikaans aan het fluisteren is: dat ik mijn nummer moet dial en dat ze dan zal proberen een communicatie tot stand te brengen. Toen de stem nog Afrikaans bazelde, kroop de kaart telkens uit de gleuf. Dat moet, de kaart móet eruitspringen, anders kan ze geen communicatie tot stand brengen, zegt de portier-telefonist met behulp van de vijf woorden Engels die de zijne zijn.
We proberen het vier keer. Nooit lukt de communicatie.

Ik heb geen zin het noodnummer te toetsen dat de vrouwenstem mij aanbeveelt “voor het geval de communicatie niet tot stand kan worden gebracht”.
- Is er ergens een andere mogelijkheid om met mijn kruidendokter in Zanzibar te bellen? Eén van de 116 internetcafés die ik daarstraks met de taxi ben voorbijgereden?
- Maybe yes.

De portier wuift naar de duisternis aan de overkant van de straat. Tegen een boomstam kruipt een silhouet recht. Een oude Masaï komt aangesloft en knoopt een gesprek aan met de portier. Het trage zwieren met hun armen en het zwijgende knikken met hun hoofd doet me denken aan esoteriecursisten die al mediterend verdampen in de lucht.
Ik gok: ze zijn samen de kortste weg naar een telefoontoestel aan het zoeken.

We vertrekken we, de Masaï en de Blanke. Slof-slof-tam-slof. Net twee nijlpaarden.
- Woon je hier?
- Neen, maar ik werk in het hotel.

We nemen het trapje naar internetcafé ‘Millennium’, “the fast intercontinental connection”. Ik schuddebol, ei zo na stoot ik mijn hoofd tegen het uithangbord. Ja, we kunnen bellen naar Zanzibar, zegt de mamma achter de balie, “no problem”. Ze zegt het drie keer na mekaar, “Zanzibar”. Alsof ze zoekt naar een stip op de wereldkaart in haar geheugen. Alsof ik iets anders bedoel dan het vastelandvijandige eiland dat ik vanuit mijn hotelkamer aan de einder zie opborrelen. “Zanzibar?”

We kunnen bellen. Tien dollar per minuut. Maar niet nu. Alleen als de baas er is. Dat is het probleem. De baas is er niet. “Wanneer is de baas er wel?”
Mamma consulteert drie intercontinentale surfers. “Om kwart voor tien.”

Wat ben ik strontbedorven in een land waar ik zelfs al schijtend kan telefoneren. En wat heb ik plots een zin om het telefoonboek van Zanzibar op het hoofd van een van die onnozelaars te trommelen.

We sloffen terug naar het hotel. Slof-slof-tam-slof. Onderweg, waarom niet, proberen we nog een ander internetcafé. Neen, telefoneren kan niet. Niet vanavond. “Maybe you can send an e-mail?”

Er is, zegt mijn kompaan, op een zucht van het hotel, alsof hij plots het ei van Columbus zomaar op straat tussen zijn sloffen vindt, en hij pakt me bij de arm, we zijn immers vriendjes geworden, “er is het postkantoor, daar kan je 24 uur op 24 bellen.”
- Oh ja?
- Ja!
- Ook nu?
- Sure, 24 uur op 24.
- En is dat ver van hier, dat postkantoor dat nooit slaapt?
- Oh no. A 45-minutes walk. Maybe we can take a taxi.

Ik ben beducht voor de combinatie van telefoon en postzegels. “Laat maar, we zien morgen wel.”



Om acht uur sta ik aan het postkantoor, een protserig gebouw met wat kaalgevreten gras ervoor. Ik en mijn Ochtendscharrel, een jongeman die aan het hotel rondslentert en zijn polyvalente diensten aan toeristen met heimwee aanbiedt.
Natuurlijk is het postkantoor gesloten. “Er is wel een kantoor voor internationaal telefoonverkeer”, zeggen twee mannen in uniform. Ze leunen over een tafel op wieltjes, boven hun hoofd luiert een parasol.
- Verkopen jullie ijsjes?
- Neen, we schrijven brieven.
- Naar jullie lief?
- Naar het lief van analfabeten.
- Tegen betaling.
- Zoveel shilling per vel.

Twee straten verder is een man in een hok onder een verroest afdak een windmachine aan het installeren. Het belooft een warme dag te worden.
- Kan ik bellen naar dokter Kruid in Zanzibar?
- Sure you can.

Hij schuift een toestel onder mijn neus. Ik draai het nummer, ik ken het inmiddels uit het hoofd. Maar ook dit verroeste kantoor voor internationaal telefoonverkeer slaagt er niet in een communicatie tot stand te brengen.
“Er staat een cijfer te veel”, zegt de man in het hok. Voor het eerst sinds gisteravond stelt iemand een diagnose voor mijn stoornis. De man laat eerst het eerste en dan het laatste cijfer weg. Geen aansluiting.

We zoeken met drie in het telefoonboek: de man, mijn Scharrel, ik. Ik vind een naam die lijkt op die van de kruidendokter. De man onder het afdak draait het nummer en krijgt een vrouw aan de lijn die zegt dat haar echtgenoot inderdaad zo heet. “Room number two”, roept de man. Ik keer me om en spurt naar het middelste hok. Het telefoontoestel maakt zoveel lawaai dat zelfs de briefschrijvers onder hun ijsjesverkopersparasol het moeten horen.
Maar ik krijg de deur niet open. “Mister!”

Ik ben Mister zijn eerste klant van de dag, en de brave man heeft nog geen tijd gevonden de sloten van zijn telefoonhokken te lichten. Je kan niet aan alles denken in zo’n belastende job. Pole Pole.

“Sorry, I’ll try again”, zegt de man, terwijl hij de telefoonhokken ontsluit. Het is je geraden, denk ik. Maar ik blijf vriendelijk, they’re so helpful.
En kijk eens, twee minuten later hang ik in hok nummer twee te kletsen met de vrouw van Nassor Hamad Omar.

- Neen, mijn man is er niet. Waarvoor is het?
- Wel, it’s Me from Belgium en ’t is in verband met die kruiden.
- Oh, maar mijn man heeft niets met kruiden. He’s a cop.
- Excuseer, mevrouw.



En dan durf ik Iets Gewaagds! Ik draai 0, 0, 3, 2. “Welcome in Belgium”, zegt de Engel in de Satelliet in het verleidelijkste Afrikaans-Engels dat ik ooit heb gehoord, en ik gooi er de acht cijfers van het telefoontoestel in mijn pas in madeliefjeswit geschilderde living, zesduizend kilometer hiervandaan, achteraan. Tuut, blaast het in mijn oor. Ik tel. “Met mij”, zegt mijn geliefde na de achtste ‘tuut’. Ze kan het niet helemaal vatten. Ik heb ze uit haar eenzame bed gebeld. Even vergeten dat de Afrikaanse klok niet met de Belgische gelijkloopt.

Ik ben de gelukkigste muzungu van het olifantenland en ik heb geen zin om af te peuteren van de vierenveertig dollar die de man onder het roestdak me zo dadelijk zal aanrekenen.

12-05-10

Licratuurtjes (Ben Schokkaert)

1.




Ik drink koffie bij de Roemeense zusjes Carmen en Liliana en lees in ‘De helaasheid der dingen’ van Dimitri Verhulst het verhaal ‘Alleen de allenen’. De vreemde titel is een vertaling van ‘Only the lonely’, een hit van de zanger-met-de-zonnebril die de hoofdfiguur van het verhaal tot tranen toe beweegt. En raad eens wie daar zingt? Neen, niet Meneer Zonnebril. Wel Bruce Springsteen:



Roy Orbison’s singing for the lonely


Hey, that’s me and I want you only







2.



K is een nachtdichter. Hoog op zijn berg, in een huis vol kunst, knikkert hij als “a fool on the hill” met klanken en klinkers tot het klettert, en zoekt hij Vlaamse letters voor verzen die hem uit alle windstreken komen aanwaaien. Af en toe laat hij me verzen van de wind ontdekken.

Dit bijvoorbeeld:



We zijn als in de herfst


aan de bomen de bladeren



Elf woorden, één gedicht. ‘Soldaten’ heet het, en de dichter is Ungaretti.







3.



‘Lopen voor je leven’ van Els Beerten lijkt me een geschikt boek om te lezen op een atletiekstage. Niet dat iemand op de titel let. Het is al voldoende een boek op de tafel te leggen om in de kijker te lopen, daar in het sporthotel te midden van Kempense zandgrondbossen. Ik lees het boek al wandelend, de wind slaat me met alle kleuren van de herfstbladeren om de oren. Met elke zin die ik uitveeg, voegt zich een gedachte in mijn hoofd en zit ik een kwarteeuw terug in de tijd, met vrienden die ik verloren heb gelegd, of met klasgenoten die op overlijdensberichten aan de deur van Begrafenisondernemer Heregodts worden beweend en om hun seksuele appetijt door hun papa werden uitgespuwd.

Het verdriet van een vader, terecht of niet, maar ik herken het, en dat ik me dat nu herinner, ginds in de stille Kempen. Een klasgenoot is ‘gegaan’. Het lijstje met klasgenoten die voortleven in hemel of hel, of iets daartussen of daarbuiten, is al enkele jaren niet meer blank.



En dan worden in mijn hoofd al die gedachten weggewalst door die ene dreun, “You better run for your life if you can little girl”. Maar waar zou je met mij naartoe lopen, kleine meid? Naar Parijs of de Ardennen? Of helemaal naar een yurt in een uithoek van Mongolië waar het des nachts min veertig vriest en de steppewind zowel het paardenhoefgetrappel als de zeldzame boomnaalden bijeenblaast tot een hoopje wijdsheid?







4.



Ze toont me een schitterende foto van de hulpeloos in een lens blikkende schrijver JMH Berckmans. Enkel een fotograaf van de hond zijn botten maakt van zo’n bangelijke ogen in zulke smekende oogkassen, en van zo’n door drank en drugs uitgezette oren om beter het luiden van de zandklokjes te kunnen horen géén schitterende foto.







“Het gaat niet goed met JMH Berckmans”, leest ze voor. “Drankverslaving. Verwoeste lichaam. Psychische aandoening. Nauwelijks te organiseren leven. Onmacht. Leegte. Een bijzonder fragmentarische mantra van ellende. De puinhoop waarin de wereld zich bevindt.”



Ooit heb ik een boek van dit in faecaliën wroetend drankorgel gelezen. Nu zijn er wel meer schrijvers van wie ik me gedwongen heb één boek te lezen, kwestie van te vatten waarover de literaire bijlagen in kranten zich vrolijk maken. Maar ‘Café De Raaf nog steeds gesloten’ heb ik zowaar met enige genoegdoening achter de kiezen gepropt. Over de taal schreef hij. Dat ze “poedelnaakt” is.



En afgekluifd en ontvleesd tot op het bot. Dan zindert en zingt de taal. Haar oratorium voor knetterende schedels. Haar heidense litanie. Haar extatische hooglied.



“Je kunt geen twintig zijn op suikerheuvel.” Ze vindt de titel van zijn jongste roman fascinerend. Ik weet dat het een vertaling is. Een breekbaar lied van de zanger, worstelend met kaap-30.



Oh, to live on Sugar Mountain


with the barkers and the colored balloons.


You can't be twenty on Sugar Mountain.


Though you're thinking that


you're leaving there too soon.


You're leaving there too soon.

Schrijven Online Nieuws

Schrijven Online blogs

Schrijven Online wedstrijden

Related Posts Plugin for WordPress, Blogger...