26-04-10

Het drama van Smeerebbe-Vloerzegem (Ben Schokkaert)

Nilleken van ’t Gazettenwinkelken maakte van mij een stevige voorstopper. Een sympathieke vuilbek zoals Luc Millecamps. Maar dan zonder baard. Zelfs nog niet in de keel. IJzersterk tackelen kon ik. Mijn defensie organiseren deed ik. De bal naar mij laten uitrollen door de keeper, die meestal Kurt heette, wilde ik.



Later schoolde Chips de Carnavalprins mij om tot een robuuste rechtsachter. Een smeerlappeke zoals Eric Gerets. Nog altijd zonder baard. Misschien een heel klein beetje in de keel. Ik mocht draven langs de flank en tikte regelmatig mijn balletje tegen de touwen van de vijandelijke nummer één. “De vlotscorende verdediger”, heette ik in de jongerenrubriek van het clubblad.



Toen raakte ik gekwetst. Niets voetbalheldhaftigs. Niet van het veld geschopt door de Axel Witsel van Smeerebbe-Vloerzegem. Niet mij bezeerd door in de rug van een om een doelpunt juichende ploegmaat te springen. Gewoon een wrat. Een domme wrat tussen twee linkertenen. De dokter brandde eraan, zalfde de wonde en verbood me van alles. In bad zitten. Helpen bij de afwas. Snoepen. Zwemmen. Confituurcarrés kopen voor bedlegerige buurvrouwen. Aan de turnles deelnemen. Voetballen.



Wekenlang bleef ik aan de kant. Ik raakte mijn vaste stek in het elftal kwijt aan een oen van de vakschool, wiens moeder vrijde met Willie de Moestasj, die tijdens mijn verblijf in de ziekenboeg de plek van Chips had overgenomen. Eén keer kreeg ik nog een speelkans. Maar de aalvlugge spits van Smeerebbe-Vloerzegem dribbelde mij tureluurs. Hij raakte elke bal die in onze buurt verdwaalde eerder dan ik. Ik kleefde aan zijn vel, ik friemelde aan zijn T-shirt, ik wurmde mijn vingers in zijn broek, ik dacht zelfs dat ik beet had. Tevergeefs.



Drie doelpunten had de aal al gescoord. Twee mocht ik op mijn conto schrijven. Ik zag hoe de Moestasj zijn bank afspeurde. Geen wisselspelers meer, het maakte hem ziedend. “Gaat hij naar voor, gij ook! Gaat hij naar achter, gij ook! Gaat hij pissen, gij ook!” schreeuwde hij. Ik beeldde me in dat ik Luc Millecamps was en mijn kwelgeest de Diego Maradona van Smeerebbe-Vloerzegem, en dat we de openingsmatch van het WK ’82 naspeelden, en hoe de Baard van Waregem aan het Dribbelwonder van Villa Fiorito plakte zoals een bij aan de hals van een flesje Fanta. Ook dát inlevingsspel bracht geen zoden aan de dijkbreuk waaraan de kadetten, door mijn falen, ten onder gingen.



De dag na het drama van Smeerebbe-Vloerzegem hing ik mijn voetbalschoenen aan de haak en werd ik langeafstandsfietser. Nog voor het clubblad een In Memoriam over mij zou publiceren, was ik ook geen supporter van VK Prutsstad meer. Ik zou nooit meer foeteren op de arbiter (“Vuile zwarte!”) en op de neger van Smeerebbe-Vloerzegem (“Vuile zwarte!”). Mijn supporterstoeter, die zoveel lawaai maakte dat hij thuis het statuut van Verboden Voorwerp genoot, gaf ik aan het Turkse jongetje van drie huizen verder.

21-04-10

De Monkel en de Muizen (Ben Schokkaert)

Bert en Erna wisten zo weinig van het spel en de spelers af dat we hen moeiteloos konden overtuigen een vat bier te offeren voor elk doelpunt dat de Muizen tegen de Beer zouden scoren.

- Bert, de Belgen in Mexico, ze doen niets anders dan ruziemaken.
- Je hebt het toch gehoord van Vandereycken?
- Naar huis gestuurd!
- Omdat hij in de gazet had gezegd dat Guy Thijs een seniel oud manneke begint te worden!
- Met het eerste vliegtuig weer de plas over.
- Naar Limburg.
- Waar het zo schoon is.
- Als die denkt van later bondscoach te zullen worden …
- België tegen de Russen, beste Bert, dat is zoiets als een troep muizen tegen een grote beer.
- Ze zullen mogen blij zijn als er op het einde nog eentje piept die niet opgepeuzeld is.

Het zootje ruziemakers had de dagen ervoor van de thuisspelers verloren en tegen Paraguay de bordjes in evenwicht gehouden. Van de troepen van Saddam Hoessein had het gewonnen, al had het evenveel krachten gevergd als twee decennia later van de Amerikanen om in de zandbak tussen Eufraat en Tigris de soennieten en de sjiieten uit de buurt van elkaars bomauto’s te houden. Drie puntjes, vijf doelpunten: het volstond om de aan het communisme twijfelende Beer te mogen bekampen.

Bert en Erna kleefden een papier op de ruit van hun café. “Gratis vat voor elke goal die de Muizen maken ALS (onderlijnd in het rood) de Muizen winnen.”

De stemming in het café was carnavalesk. De Beer maakte het eerste doelpunt, we gingen een toontje lager zingen. Scifo de Muis maakte gelijk. De Beer prikte nummer twee tegen de netten, het werd muisstil voor de toog.

Alleen Bert liet van zich horen.
- Spelen we eigenlijk in ’t rood of in ’t wit?
- Ik zie het al: ik ga mijn vaten zelf mogen leegzuipen.

Toen trok de aanvoerder van het muizenleger zijn slobberkousen op. Hij trapte de bal voorbij doelman Beer, zodat de Zweedse scheidrechter niets anders dan verlengingen kon toestaan. Daarin vertrappelden de Muizen De Mol en Claesen de Beer. De Beer scoorde nog een derde keer, maar dat was een penalty, dus dat telde maar half, en Muisje Jean-Marie had de bal zelfs nog kunnen raken.

Om twintig voor drie zette Bert zijn tapkraan open om gratis bier in gretige glazen te laten zinken. Twintig minuten later deed hij ze weer dicht. Met vier vaten Jupiler in ons bloed gingen we feesten op de laveloze Blandijnberg. Zatte studenten en zegedronken flikken zwaaiden met de Belgische driekleur en zwierden rond een amateuristisch gestookt straatvuurtje handen-om-schouders een ‘Mexican wave’. Ik kuste een flik met een sombrero, met zijn matrak klopte ik de maat van een ordeloze ‘la bamba’.


Plots rinkelde de wekker. In auditorium F wachtte de minzame professor Moderne Geschiedenis met een monkellach en een schriftelijke examenvraag over de buitenlandse politiek van Hitler, “te bespreken in het licht van de inderhaast georganiseerde conferentie van München, waar het Sudetengebied door de Engelsmannen, de Fransmannen en de Mussolinimannen aan de Duitsmannen werd toegekend. Schets daarbij de dubbelzinnige politiek van de Engelsman Neville Chamberlain”.

Ergens in mijn houten kop dribbelde Chamberlain een leger muizen en nam Mussolini de maat van de Beer. “Hitler”, fluisterde Jean-Marie, net voor hij de penalty half zou stoppen, “dat is die Duitsman die nog in de loopgraven aan de Ijzer landschappen heeft liggen schilderen”.

Op schoot voor de mondelinge vragen bekende de monkel dat hij ook naar ‘de’ voetbal had zitten kijken. “Alle mededogen met je houten kop”, zei hij. En hij schreef een 18 op mijn blad. Grootste onderscheiding.

Schrijven Online Nieuws

Schrijven Online blogs

Schrijven Online wedstrijden

Related Posts Plugin for WordPress, Blogger...