27-03-10

Wat eten we vanavond?

‘Meet me’, toetert de Toyota. Zijn koplichten verblinden me, zodat ik stop met tellen. 614, zover zat ik. 614 kopergroene nagels houden de eerste zeshonderd veertien centimeters van het ijzerwerk van de brug in hun haak. ‘Het zijn er meer dan een miljoen’, zegt een man op opasloffen in een te kort afgeknipte jeansbroek. ‘Ik kan het weten, ik slaap onder de brug.’

‘Meet me.’ Ik knoop het getoeter in mijn oren, ook al vriezen ze bijna van mijn kop. Als een Charon sloft de man in jeans me naar de overkant. Hij wil me weg van deze brug. Weg van zijn dak. Dan hoor ik glas breken. Ik kijk om. Een zelfmoordkonijn plakt tegen het rechterkoplicht van de Toyota. Ik keer terug en buig me over de stervende. Het konijn opent zijn mond, ik ruik looksaus. Uit de spleet tussen zijn tanden sissen letters. Maar net dan dendert een trein over de Dender, even genadeloos als de vrieswind de oren van mijn kop snijdt. ‘Vier’, versta ik nog net, voor het konijnenkopje slap valt.

De doodskeutels lijken verdacht goed op letters van een scrabblespel. Ik raap ze op, het zijn er zeven. Ik puzzel. ‘Verdiep’, lees ik. ‘Veertien punten’, grijnst de man die onder de brug woont. De geur van looksaus uit zijn mond slaat te pletter tegen de Toyota. De man schudt een woord uit zijn rafelmouw. ‘Centrum’, lees ik. ’Achttien punten, ik win’, zegt de man.

De Toyota toetert, hij wil verder. Verder met één licht. De man met de geur van look pakt me bij mijn nekvel en duwt me weer naar de overkant. ‘Meet me.’ Ik kan de claxon niet meer stoppen en begin op het ritme in mijn oren te stappen in de richting waarin Charon me dwingt. ‘Meet me, miet mie, heat me with your rhythm stick.’

Aan de overkant gooit een dode pastoor, gevangen in een ijzeren korset, me een stenen knipoog toe. ‘Pastoor, twaalf punten’, zeg ik. ‘Knipoog, dertien, ik win’, klinkt het antwoord in mijn nek.
De pastoor heft zijn vuist, opent ze, toont vier vingers, gooit zijn duim over zijn schouder. ‘Zwanger?’ lees ik waar de duim eindigt. ‘Zeventien punten’, grijnst mijn nekvel.
Ik word ter plaatse ongesteld. Ik laat mijn hand over mijn buik glijden. Is daar iemand?

‘Hallo, ik ben Patrick. Met de P van Pornomoestasj en Piratenneus. Kan ik u van dienst zijn?’ Ik denk: waarom ziet u eruit als een wortel? Maar ik zeg: ‘Patrick. Zeventien.’
‘Je denkt vast dat ik een wortel ben’, zegt Patrick. ‘Maar ik sta hier ook maar te verkleumen omdat het konijn en die pastoor … Wacht, ik zal het even demonstreren.’ Hij bukt, pakt een kussen (‘gekregen van een man die zegt dat hij onder de brug woont’) en demonstreert. ‘Kijk, ik snijd er met mijn neus een gat in en dan gaat het sneeuwen. Cool hé?’

De sneeuwstorm smaakt suikerzoet en blaast me achteruit. Ik vlieg door een geurgordijn van oliebollen en oosterse kruiden, sla te pletter tegen een berg köfte en stort neer in een plas looksaus. ‘Count me’, trilt mijn oor. Wankelend, glijdend, schaatsend begin ik te tellen.

‘614, au!’ Ik stoot mijn hoofd tegen een bord dat flikkert in rood en blauw. ‘OPEN’, lees ik in het vendiagram. Maar het duurt even voor de deur zich opent. ‘Aangenaam, mijn naam is Willy’; zegt de man die me opwacht in de lift. ‘Willy van het echt Antwaarps Teater. Ken je die mop al van dat zelfmoordkonijn en die Toyota?’ Nu herken ik hem: Willy is de man van de Toyota. Maar voor ik ‘nee, vertel maar’ kan zeggen, houden we halt. ‘Vier’, zegt Willy. ‘Gelieve nu de lift te verlaten.’

Als ik uitstap, struikel ik over een berg dode konijnen. Een man met een geweer in zijn hand en een carnavalsmasker voor zijn gezicht poseert triomfantelijk. ‘Tel maar na, het zijn er 614’, zegt hij, en hij neemt zijn masker af. De look om zijn hoofd is verdwenen, maar ik herken de man die onder de brug woont.
‘Meat me’, toetert mijn oor. ‘Eat me’.


20-03-10

Gepromoveerd

Ontwaakt, verworpenen der aarde!
Ontwaakt, verdoemd’ in hongers sfeer!
Laat mie maar lopen langs de straten
Dansen doen we tot ’s avonds late
Het carnaval in Aalst is er weer.


Smoutebollen? Escargots? Een oude vrouw steekt vlug iets in een zak.
Ronny’s kraam flikkert en blinkt, het is bijtend koud.
De kwaliteit is onze reclame, zegt hij. Ronny is een toffe ket. Zijn wafels zijn de beste.
‘Hier, van het huis.’
Bijtend van de wafel zeg ik: ‘Merci.’ Ik ken Ronny en zijn ouders al jaren. De zus van Ronny’s moeder was danseres in de Moulin Rouge. Toulouse Lautrec heeft haar geschilderd! Wie weet wat hij nog allemaal met dat mens heeft gedaan, naar het schijnt was hij een heet konijn, die Lautrec.
De voorbije zomer ben ik ook in Parijs geweest. In Parijs is het altijd goed, ik ken daar mijn plaats en ik weet daar mijn weg, als ge begrijpt wat ik bedoel. Voor het begin van de vasten kom ik altijd naar Aalst. Carnaval is een feest voor iedereen, en vooral voor mij.
‘Nog eens bedankt’, zeg ik.
‘Tot morgen’, klinkt het.
Ja, ik ken mijn wereld. De mensen die mij soigneren draag ik in mijn hart.
Een trein raast gejaagd over een brug, een camionette hindert een lijnbus op het rondpunt.
Ik stap verder, het wordt laat. Kinderen staren mij aan en wandelen vervolgens luid pratend een nachtwinkel binnen. Nog een paar honderd meter. Er is veel volk, ik verdwijn tussen de mensenmassa in het licht. Ik weet waar ik moet zijn. De lift glijdt vol. Een oudere dame met een scrabbledoos in haar hand duwt eerst op 2, dan op 1 en vervolgens op 3. Ik duw op 4. Vanavond is hier het echt Antwaarps teater, lees ik. Grappig, Willy De Weldoener. Veel volk voor nummer 1. De scrabbledame en heer, kijken even naar mij en verlaten dan de lift. … Eerst even nog wat beschaafd met woorden, morgen pas mag het beest los.
Ik stap als laatste uit, weet waar naartoe. Als ik ben waar ik moet zijn, draai ik de deur op slot, neem mijn boek en zet mij neer. Don Quichoté de La Mancha voor de rest van mijn dagen?
‘Vlucht niet, blode en lage schepsels! Een enkele ridder is het die u aanvalt.’
Ik sla mij mijn boek dicht, het is tijd. Ik verlaat het toilet, het is rustig en stil. Morgen is het feest, ik ga slapen. Waar? Ik slaap waar ik wil. Het cultureel centrum is mijn rijk. Ik regeer! Drie dagen alsof ik jaren lang niets anders heb gedaan. Hoe hoger, hoe klaarder ik zie. Ik blijf op het vierde en groet het leven. Aalst stad van mijn dromen, slaapwel.

Goedemorgen, beste dag van het jaar. Hoe koud het ook moge wezen, keizer ben ik altijd in Aalst. Kijk, ik zet mijn feestneus op. Hij is mijn licht in het donker. Daar gaan we dan!
Laverend tussen de praalwagens en het lichte leven geniet ik van een warme koffie met jenever. Iets later krijg ik een croissant en een boterkoek en een pilsje voor de gein.
Het carnaval mag nu beginnen.
Met die zotte dagen ben ik weer ten volle ongelooflijk tot landloper gepromoveerd!

13-03-10

Lezing Reine De Pelseneer

woensdag 17 maart 2010

19 uur

lezing door



Reine De Pelseneer







Reine De Pelseneer (°1982) is germaniste. Ze werkt deeltijds als redactiemedewerker en deeltijds als zelfstandig auteur en eindredacteur. In 2005 verscheen bij Uitgeverij P haar debuutbundel Doorgrond. Twee jaar later publiceerde ze Omzicht. Naast poëzie schrijft ze verhalen voor eerste lezers en kinderboeken, en recensies voor De Leeswelp en De Leeswolf.

http://www.reinedepelseneer.be/





Studio (verdieping -1 )



cc De Werf - Molenstraat 51 - 9300 Aalst







Inkom: 4,- EUR / 3,- EUR
(leden Muza - op vertoon van lidkaart)


12-03-10

Meet me

Kak, ik ben te vroeg. Nog tien minuten en ik loop al op de Sint-Anna brug. Goed dat het hier aardedonker is. Je weet nooit dat iemand me ziet en Fran lucht krijgt van mijn date. Toch maar opletten met die auto’s en bussen. Nog een trein ook. Dat ontbrak er nog aan. Wegkijken, Niels, naar de Dender door de gaten in die vieze lompe brug. De gasten die achter mij over de wissels kletsen, verklaren me gek. Waar staat die pipo naar te kijken? Lelijk, lelijker, de lelijkste passage van een rivier in een Vlaamse stad. Aalst op één. Ze zijn weg. Ja, Daens, jij staat hier mooi. Een metalen hek in je rug, straks weer je houten kooi tot onder je neus. CA, CA, Carnaval in Aalst. Hou dat smoutebollenkraam in de gaten, Dolf. Zo’n lichtbak vol oranje vissen die iedereen vet aansmeren. Weg hier, langs die gestationeerde stinkbakken. Komen die echt uit vrije wil aanschuiven aan zo’n kraam waar je van alles hoofdpijn krijgt? De duizenden watt op je kop, de stank van je eigen diesel en het voer, de stomme praat om je heen. Staat die kapel hier voor schuinsmarcheerders als ik? Goed dat ik niet geloof. Is dat Veerle aan de overkant? De etalage, Niels. Goede dekmantel, zwangerschapskledij. Zou ze het zijn? Hoe lang zou het geleden zijn dat ze me de bons gaf? Nog eens lezen, wat er staat.




From: http://yoursweetycom,com,comes@hotmail.com

To: niels.vanherreweghe@gmail.com

Subject: meet me




Lieve, liever, liefste Niels

Ik weet het nu zeker. Ik wil je nog meer dan toen, meer dan ooit

Ik zal je verrassen

morgen donderdag, 19.45u, De Werf, vierde verdieping

Zoek me…

Je ware




My sweety ben je nog altijd, Veerle. Mijn ware. Van een verrassing gesproken. Straks spontaan doen. Alsof ik niks doorhad. Of moet ik het juist vanzelfsprekend vinden, dat ze me terugwil?

Kak, ze beent voorbij De Werf. Een andere ex? Pascale? Sweety, natuurlijk die bekte dat woord altijd uit haar lelijke. Bespaar het mij. In dat geval moet ik een uitvlucht hebben. Me vergist van verdieping, nog boven het balkon beland. Altijd een verstrooid ventje geweest, ik. Zeker niet de indruk geven dat ik op zoek was naar een avontuurtje. Dan krijg ik weer een scène, over uit zijn op seks of over afwijzing. Of over de twee. Wat heb ik ooit in haar gezien? Staat er volk in die GB Contact? Geen kat. De deuren staan wel wagenwijd open. In het putje van de winter. Prima plek om af te spreken, tl-licht, gezellig, romantisch. Nog beter dan voor de haardenwinkel van Saey, gloeiend nep. Aalst, red light district. Genoeg gedraald. Achttien voor. Snel naar binnen, recht de trap op. Je hoort er alles, niemand ziet je. Misschien merk ik haar eerst op en kan ik nog weggaan. Oef, eindelijk niveau vier. Veel volk. Wat is er hier te doen? Vergaderzaaltjes en bureaus. Gewoon doorstappen. Zie ik de verkeerde dan loop ik met de hoop mee. Scrabblespelers, verdomme. Nondemiljaarde, hoeveel punten is dat? Niemand die mij kent, gelooft dat.

Hier, Niels. Het is vandaag een jaar, weet je nog?

Natuurlijk, Fran. Ik vroeg me alleen af wat de verrassing zou zijn, sweety.

04-03-10

In Memoriam Erik Heyman (1960-2010) - Klein Polyfonisch Portret



Erik Heyman (1960-2010). Voortaan staan er tussen de haakjes achter je naam dus twee jaartallen. Ze doen het lijken op een halve eeuw, maar je bent 49. Jong toch.

Misschien kunnen we van de haakjes een accolade maken, Erik. En een portret borstelen – meerstemmig, want daar hield je van – met free hugs voor meneer Heyman, leraar en gids in Spanje, fijn mens, lieve vriend, Erik.

Laten we de aanhalingstekens openen met je klassieke uitsmijter, die ook je oud-leerlingen van 20 jaar terug blijkbaar niet zijn vergeten: “Geen vragen, opmerkingen, interessante consideraties… geen wijsgerige bespiegelingen meer?”

Jawel, meneer. Bijvoorbeeld, iemand die schrijft: “Ook in mijn tijd was je al een toffe, hippe leerkracht.” – Hip. Je moet het maar doen als leraar fysica, dichter, bestuurslid van het Davidsfonds, verantwoordelijke voor neerlandistiek, liefhebber van polyfonie, barok, klassiek, rock, folk…

Hip. Desalniettemin.

En geloof maar niet dat het aan je favoriete filmmaker ligt, Erik (Tarantino). Of aan je “cool” gevoel voor humor. Of aan de hoeveelheid “jongeman” die er nog in de man was gebleven. ’t Was het totaalpakket dat het ‘m deed.

Herinner je de lente van 1980. Een jongen die nog ietsje jonger is dan jij laat kopietjes maken van een stuk of wat van zijn gedichten, niet ze bij elkaar en noemt ze “dichtbundel”… Je zus meldt ‘m dat ze een broer heeft die ook dichter is en zie, daar zitten we al in Café De Steeg, in Café De Steamer, op kot in Gent, bij je ouders thuis gourmet te eten… Dat vriendschap zo vanzelf kan spreken.

En dit is een quiz vraag… Wat is het verband tussen, in willekeurige volgorde, Dirk Van Bastelaere, Bernard Dewulf, Peter Verhelst, Frank Pollet, Erik Heyman? – Antwoord: sla er begin jaren 80 het palmares van een poëzieprijs voor jongeren op na.

Een jury detecteert het “volwassen” verdriet in de poëzie die je hebt neergeschreven, een vriend-kunstenaar heeft het over je “aangeboren maturiteit”, een directeur zegt dat je zo iemand was die de kunst verstond om hart en verstand te combineren. En ik denk aan de hoeveelheid “man” die al in de jongeman aanwezig was, toen, lang geleden.

Een citaat uit je gedichtencyclus Neonatologie, opgedragen aan Floris Hendrik (7/11 – 19/11/89):

Ik heb zijn adem in mijn eigen
huid bewaard, weerde de woorden
af, of wees ze zwijgzaam toe
aan hem.

Elders klinkt het als volgt:

Weer ligt hij in mij open als het
weerloos dier dat aan de ketting
vechtend toch verwacht het komend
kromzwaard – en de jager.

Want in de schaduw van een
ademloze long die niet bewaart
ontsta ik steeds – amper een
vader.

En dan is daar Noor – en ben jij een vader, volkomen.

En hoe een hippe vogel toch ook kan vasthouden aan tradities, zoals de Beurtelingse Bourgondische Bijeenkomsten met Frank en Moniek. En de vele feesten die we samen mochten vieren.

“En dan voor altijd maar de kwaadste maand/ Altijd de zachtste.” – IJstijd. Maar de kwaadste maand is niet april, Erik, zoals T.S. Eliot schrijft, de dichter naar wie je hier verwijst. De kwaadste maand is februari.

Veertien februari. Bloemetje kopen voor Marleen. In de winkel slaat de bliksem in, een eerste keer. Maar jij die de wereld freewheelend benadert, jij die in de wetenschap een nieuwe woordenschat hebt gevonden om poëzie mee te schrijven, jij verliest er de pedalen niet bij. Ga je tegen de vlakte, dan sta je toch weer op. Om les te geven, om literaire creaties te jureren, om naar Schotland te reizen… Gisteren was ik nog in een school in Gent waar jij elk jaar over poëzie kwam spreken, waar je in januari nog langs was geweest en de directeur enthousiast en vol goede moed beloofd had hem wegwijs te maken met Smartschool.

27 januari. Je hebt een dubbele “boost” gekregen, schrijf je op Facebook: “Op de PET-scan van vorige dinsdag is geen ‘activiteit’ te zien. Dit wil zeggen: mijn hersenen werken wel, maar de kanker niet. Op de MRI-scan van vorige woensdag is een kleine maar positieve wijziging te zien ten opzichte van de vorige: genezing van littekenweefsel.”

Nauwelijks een paar dagen later word je een laatste keer neergebliksemd, terwijl je op het podium staat voor de Junior Journalist Wedstrijd van het Davidsfonds.

En dan is het woensdag. En in je ziekenhuiskamer spreekt niets nog vanzelf. Ook niet voor ons, die het zo gewend zijn vanzelf te spreken. En die nu de stilte moeten laten spreken…



Nee, Erik. We hebben geen vragen meer. Geen opmerkingen.
Geen interessante consideraties, geen wijsgerige bespiegelingen meer.

Dag maat. En dat de kwaadste ook de zachtste moge zijn. Voor altijd.

Schrijven Online Nieuws

Schrijven Online blogs

Schrijven Online wedstrijden

Related Posts Plugin for WordPress, Blogger...